
De factuur is de rode draad in de financiele administratie en moet ook aan bepaalde voorwaarden voldoen. Met het vervagen van de grenzen en de toename van het internationale handelsverkeer komt het steeds vaker voor dat een factuur in
het Engels moet worden opgesteld. Maar hoe maak je nu zo’n factuur? En welke termen kun je het beste gebruiken? Hierbij een overzicht van veelgebruikte woorden en uitdrukkingen.
| factuur | invoice |
| factuurnummer | invoice number |
| factuurdatum | date of invoice |
| omschrijving | description |
| aantal/hoeveelheid | quantity |
| (totaal)bedrag | (total) amount |
| betalingscondities | terms and conditions |
| klantnummer/ debiteurennummer |
customer account number |
| vooruitbetaling | payment in advance |
| korting | discount |
| btw | VAT |
| btw-nummer | VAT-number |
| termijnbetaling | payment by instalments |
| aanbetaling | down payment |
| binnen overeengekomen tijd betalen | to pay within the stipulated time |
| een bedrag overmaken | to transfer an amount |
| ten gunste van | in favour of |
| met inbegrip van alle kosten | all expenses included |